
(
deVorm )
(mannelijk);
de vormen
1 uiterlijke gedaante (ook met betrekking tot onstoffelijke zaken)
voorbeeld
+ werkwoord
vorm aannemen
duidelijker, meer omlijnd worden
vorm geven aan een gedachte, gevoelens
+ voorzetsel
een gebouw in de vorm van een hoefijzer
uit de vorm raken
uit zijn model
zonder vorm van proces
zonder een officiële rechtsgang
samenstelling
kunstvorm
2 voorwerp waarmee men vormt
voorbeeld
+ bijvoeglijk naamwoord
iets in een andere vorm gieten
daaraan een ander voorkomen geven
+ voorzetsel
het kind speelde met zand en vormpjes
3 <pregnant> de juiste gestalte of inrichting
voorbeeld
+ voorzetsel
een contract in de vorm opmaken
<sport & spel> in vorm zijn
in de beste conditie
naar, in de vorm
zoals het behoort, in forma
samenstelling
topvorm